Gemalinne van den Wel Edelen Gestrengen heere, Den heer Mr. Andries Munter,
Oud-Schepen en Houtvester van Amsterdam, Voorzittend Directeur der E. Societeit van Suriname, enz. enz. enz.
14. December 1752.
ZAl ik uw' droefheid door myn dichten,
O Munter, by 't verlies van Uw' volmaakte Vrouw,
Uw' lust, uw' tweede ziel, verzwaaren of verlichten?
O neen! geen Menschentroost kan helpen in dien rouw.
Wy schreien met U uit een teder mededoogen.
De traanen barsten my, in 't schryven, zelf uit de oogen,
En zo myn dankb're Poëzy
Haar' deugd en huwlyksmin kon maalen naar waardy,
Het zou uw' ziel maar dieper treffen,
En U, wat schat gy mist, nog sterker doen besefsen.
Schrei, Edle Munter, schrei! ontlast het zwoegend hart,
En vier den vollen toom aan uw' gerechte smart.
Maar neen! zy roept U toe, ten starren ingevaaren:
Buig voor Gods wil, myn lief! denk om U zelf te spaaren,
Denk om ons lieve kroost, vier telgen van een' stam,
Wiens naam steeds dierbaar blyft in 't hart van Amsterdam.
1753.