Ten Meester der beide RegtenDit Gedicht, en 't voorige maakte my bekend by de Liefhebbers der dichtkunde..
O zalig Banda (zo myn schorre loftrompet
Door zo veel meiren nog kan klinken aan Uw' stranden)
Gelukkig Paradys, zo ryk gezegend met
Kaneelboschaadjen, en welriekende waaranden!
Verhef Uw' glory, nu een braave Voedsterzoon,
Die eerst het licht zag in Uw' geur'ge lustvallyën,Vallyën is een spelfout.
Zyn kruin betulbant met de groene Lauwerkroon.
Roem, roem niet langer op Uw' dierbre kruideryën,
Maar roem, ô Eiland, datge een Man hebt voortgebragt,
Die om de schatten der Geleerdheid op te zoeken,
Zyn onvermoeiden Geest steeds kweekte, dag en nagt,
Met edel merg en pit van doorgeleerde boeken.
Zo duikt een Visscher in de grondelooze Zee,
En onbevreesd voor 't woên der woeste waterdieren,
Brengt hy de paarlen uit den afgrond op de reê,
Die naderhand den hals der Veldgodinnen çieren.
Vaar voort, Geleerde Vriend. Dan zal uw' braave naam,
Wanneer uw' grafkruik reeds geborsten is aan scherven,
Ten spyt der afgunst op de wieken van de FaamDe Faam is 't gemeene buurpaard by alle jonge dichters, en maakt doorgaans het slot van alle lofdichten.
Gestadig zweevende, nog leeven na Uw' sterven.
1710.