Skip to content
1753

Dichtlievende uitspanningen

Jan Jacob Mauricius

Om zig niet te begeeven in den Huwelyken Staat met Rooms-gesinden,

Met den Druk gemeen maakte.Toen ik dit Gedicht en 't voorige maakte, was ik de Duitsche Poëzy gants ontwend, en men zal ze styver vinden, dan de voorgaande van vroegere jaaren.

VOldeed ik mynen Lust, ik zweefde op Arends-pennen, Om grooten Vondel in gezangen na te rennen, En zong uwe eer op zyn weergadeloozen toon, O waarde Vader, en Uw hoofd wierd met een kroon Van dicht-Lauwrier bekransd; ja om een blyk te geeven Van myne liefde, zoudt Gy zien Uw lof geschreeven Met goude letters, die de tanden van den Tyd Verduuren zouden, zelfs in weêrwil van de Nyd.

Maar nu my 't bloed belet Uw' gaaven af te maalen, En myne kragten het zo hoog niet konnen haalen, Laat ik voor anderen, bestraald van hooger licht, Dit over; 't zy genoeg, dat ik beken myn pligt, En vrolyk juiche, nu ik u zie zegepraalen, En uw ervarenheit in lettren lof behaalen; Daar gy de Waarheid, lang verdrukt, helpt op de been; Wyl snoode Vleiery (die listige Sireen, Die staâg het waar Geloof, door zo veel bloedgetuigen Bevestigd, onder 't juk der slaaverny wil buigen) Door uwen yver en ontdekkingen in 't end, Te leur gestelt en overwonnen, zelf bekent, Dat, zo oud Romen ooit, door Staatkunde aangedreeven; Verboodt zyn Burger met een Vreemde in de Echt te leeven, Met meerder Recht het Volk, dat Faroôs bitse magt En slaaverny ontging door Gods gevreesde kragt, Zig nooit weêr bloot stelt voor Egyptens woede en laagen; Dat Goëls Bond-Genoot zyn trouw niet op moet draagen Voor 't Egt-Altaar aan een, die 't schendig ongeloof Omhelst, nog blind, en voor de waare reeden doof, Zo hy dien heil'gen band door bitse huis-krakeelen, Gantsch ongeneesbaar, al wou Eendragt zelfs die heelen,

Niet wil verscheurd zien, en, terwyl men hem niet acht, Zyn kroost in 't ongeloof rampzalig opgebragt. Dus zegepraalt ge, en toont hoe God niet wil gehengen, Dat Israël zig zal met Heidenen vermengen. Vaar voort, myn Vader, tot Uw' vlugge pen in 't laatst Eens afgeschreeven, by 't gestarnte wordt geplaatst, En U Gods hand, terwyl Gy de afgunst zult verdelgen, Vereert een Zegekroon van onverwelkb're telgen.

1708.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Dichtlievende uitspanningen · Jan Jacob Mauricius · Poetry Cove