Den 8 Maart 1753. - Heroum laudes, & facta parentis
Jam legere, & quae sit, poteris cognoscere, virtus.
Virg. Ecl. IV. 26.
DOorluchte Friso, die, van 't stof der aarde ontslagen, Voor ons helaas! te vroeg ten Hemel ingedraagen, Nu boven Zon en Maan, met Eng'lenglans bekleed, Ten reie gaat, en op een' vloer van starren treedt, Vergeef ons, dat wy thans 't uitwendig treuren staaken, (Want uw' gedachtenis blyft in ons hart gedrukt) En gun ons deezen troost, nu Gy ons zyt ontrukt, Dat wy ons met Uw Beeld vermaaken,
Uw' lieven Wilhem, in wiens pas ontlooken' jeugd Wy reeds de straalen zien uitblinken van Uw' deugd, Uw Wilhem, 't overschot van 't dierbaar bloed der Helden, Die trouw hun goed en bloed voor 't Land te pande stelden. Opdagend Morgenlicht, dat elk met vreugd beschouwt, En op wiens glans Euroop 't gezicht gevestigd houdt, Rys, als de Lentezon, die na 't geloei der vlaagen Door 't floers der wolken breekt, en uit zyn'Genoegzaam alle onze Dichters stellen 't woord Zon Vrouwelyk. Doch de Taalkenners bekennen zelf, dat het vreemd is. In de Fabelen en Schilderyen wordt de Zon altydt door een' Man verbeeld. En dewyl bier de gelykenis op een' Prins ziet, zou 't verwarring gegeeven hebben, zo ik haar' wagen gezegd had. gouden wagen Een' daauw van zilver op de ontroerde golven strooit, En met zyn koestrend vuur 't bevrooren veld ontdooit. Rys! elke dag, elk uur verheldere Uwe straalen Met nieuwe heerlykheid, met geen penseel te maalen, Terwyl wy Karoline, Uw' Zuster, als de Maan, Zich spieg'lende in Uw licht, zien aan Uw' zyde staan. Vrouw Anna, 't pronkbeeld der Prinçessen, Brittanjes çiersel, Neêrlands hoop, Zal U door Moederlyke lessen, Maar door haar voorbeeld best, bestieren in Uw' loop,
En 't rechte Zonnespoor U wyzen in het klimmen, Tot Gy, gesteegen uit de kimmen, Met vollen luister en volkoomen Zomerglans Zult blinken aan des Hemels trans. Dan zult Ge in Nederland de goudeeuw doen herleeven, En ons een' Friso wedergeeven.
Cookies on Poetry Cove