Absentis Pignus Amicitiae.
HEt Noodlot mag twee Vrinden scheiden, Zoo ver als 't Zuiden strekt van 't Noord; Of 't kan den een naar 't Oosten leiden, En 't voer' den and'ren Westwaards voort, Geen Afzyn kan hun neiging hind'ren, Of in haar werkzaamheid vermind'ren: De opregte Trouw verduurt den Tyd; En zugt Gy altoos naar varleegen, Zo deelt myn hart ook steeds geneegen, Mauricius! in 't geen Gy lydt.
Wat helpt de Deugd haar rein Geweeten, En dat zy daar op steunt, en dringt, Wanneer de Laster, als bezeeten, Haar Val zweert, en haar stout bespringt! De sterkste Stier, hoe dol te moede, Is nog te stuiten in zyn woede, Of loopt zig dood uit raazerny; Maar slaat dat Monster eens aan 't schenden, De Weêrstand om het af te wenden, Zet zelfs zyn zwadder kragten by.
Het Regt, de Billykheid, de Reeden, 't Werpt alles Olie in de Brand, En de Onschuld, jammerlyk vertreeden, Moet, wat zy klaagt, of pleit, van kant. De Waarheit mag haar niet gedyen: Een Reeks van snoode schelmeryen, Een valsch, en loos verspreid Gerugt Bezwalkt ze, en wil zy door haar schynen Dien vuilen Nevel doen verdwynen, Zy worsteld daar toe zonder vrugt.
Dit moet Gy door een Hoop Ontzinden, Mauricius! ook ondergaan; En, wat de Boosheid uit kan vinden, Men vryft het U halstarrig aan. Waar dorst men U niet meê bevlekken? En wist Gy klaar het Gif te ondekken, Op U gespoogen door de Haat, De Laster zogt het ook te wreeken Door U nog meer naar 't hart te steeken. En te bezoed'len in 't gelaat.
O pynelyk, en bitter Lyden, Wanneer men daglyks, zonder rust, Met wilde Dieren heeft te stryden, Met Dieren, die niets temt, of sust! Dit, kermt Gy, overstelpt uw' zinnen; 't Doorknaagt U, als een Worm, van binnen, Uw' Jaaren neemen af in rouw; En wat gaf oorzaak tot uw' plagen, Als dat Gy de Ondeugd moest mishaagen, Zoudt Gy U quyten van uw Trouw!
't Is hard, myn Vriend! maar viel voordeezen Dit ook aan And're niet te beurt, Vervolgd, verjaagd, ter dood verweezen, Of door het muitend Graauw verscheurd? Wier Werk was 't als van Lasteraaren, Die meer verbolgen als de Baaren, Wanneer een Dwarlwind tiert, en woed, Niet wisten van zig rust te geeven, Voor dat hun Haat ze had verdreeven, Of doen versmooren in hun bloed.
Een zwakke Vrouw raakt door haar zugten Den hongerigsten Leeuw in 't hart; Hy laat haar, als zy weent, ontvlugten, En deelt meêdogend in haar smart; Maar als de Deugd door die Gedrogten Omringt, en driftig aangevogten, Eens in hun Klaauwen is bekneld, Wat baat het, dat zy zig verdeedigt, En fel geneepen, en beleedigt, Hoe raar ontkoomt zy hun geweld!
Een Cicero wierd straf verbannen, Een Palamedes wreed vermoord, En Weê nog! die op 't spoor dier Mannen De stem van zyn Gewisse hoort: Die in Bewind naar Pligt, en Wetten, Zig teegen de Ondeugd durft verzetten, En lev'ren voor 't gemeen Belang; Quyt hy zig trouw van zyn vermoogen, Wat brouwt hem somtyds nog zyn poogen, Als zyn onseilbren Ondergang!
Mauricius! is 't dan ook wonder, Dat Gy een Prooy zyt van de Haat, En dat de Laster, als de Donder, Steeds raazend om U mort, en slaat? Hadt Gy door eige Winst gedreeven, Den ouden Wrevel toegegeeven Tot nadeel van der Meestren Regt, Wat had men, graag om U te roemen, Uw' Weg dan niet bestrooid met Bloemen, Die thans vol scherpe Doornen legt!
Sta pal! en hoe uw Last mag drukken, Stort onder zyn gewigt niet neer! Of hebt Gy, om nu zwak te bukken, Den Staat gediend met zo veel Eer? Waar is dat Vuur, van 't welk Gy blaakte, Toen Gy zo kloek, en vlytig waakte Voor Purmerend op Hollands Schip? En Gy 't in spyt der woeste Baaren, Ook dikwyls wyss'lyk hielpt bewaaren Voor ongeval, en zand, en klip.
Dus kan Hamburg ook nog getuigen Van uw' bequaamheid, en verstand. Hier wist uw Trouw ook niet van buigen, Wanneer 't den Dienst gold van het Land. Daar voor te worst'len was uw Leeven, En zou uw hart U thans begeeven In eigen nood, en tegenspoet? Neen! steun steeds op uw blank Geweeten, En hebt Gy 't spits braaf afgebeeten, Verwin ook met dien zelven Moed!
De Boosheid mag U grieven, vloeken, Zy krygt dan eind'lyk wis haar loon, En klom, om 't Moordwerk te onderzoeken, Ook Themis reeds niet op haar Throon? Koom door uw Zaak zelf te voldingen Uw' Last'raars daar de Gryns ontwringen! Volgens het Verlof, door den Gouverneur Generaal Mauricius, by zyn Brief van den 16 November, 1750. verzogt, om veer een Jaar, zo tot zyne verdere Verdeediging, als tot de Herstelling van zyne Gezondheid, te mogen overkoomen. Geleezen, en overwoogen in de Vergadering van de Societeit, den 3. Maart 1751. Toegestaan, zo door zyne Doorlugtigste Hoogheid, den Heere Prince Erfstadhouder, als door de Societeit, den 3. April. Afgezonden by Origineel, en Duplicaat den 10. daar aan volgende, met de Scheepen de Juffrouw Margaretha, Kapitèin Jan Wapenaar, en de Jakob en Daniel, Kapitein Marten Wendorp, en zyn deeze twee Scheepen naar Suriname in Zee gegaan den 24 April, en den 1 May van het zelve Jaar 1751. ['t Verlof is ook aangekomen in Surinaame, doch de Heer Mauricius was reeds vertrokken.]Het Overkoomen staat U vry, En het regtvaardig Mededogen Door uw bedaard verzoek bewoogen, Sprong U daar toe goedgunstig by.
Gy zogt, verkropt van rouw en plaagen, Uw Redding in dat fier besluit, Koom! en wat Gy op Reis moogt waagen, Voer het ook edelmoedig uit, Wat hebt Gy voor dien Troon te vreezen? Daar geld geen Aanklagt als beweezen, Geen bitt're Haat, geen dol Geblaf, Geen Pen vol gal, geen snood Bedriegen, En 't valsch Bewys, het schendig Liegen Verstuift daar ligter als het Kaf.
Maak haast myn Vrind! de Stormen zwygen. Nooit zag men schoonder Weer op Zee, En 't frisch Zuidwest, gestaag aan 't hygen, Beloofd U spoedig Texels Ree. Wat kan U gints uw verder Leeven Zelfs als verdriet, en zorgen geeven? In 't Ryk van Twist is geen geluk, Nog rust, nog vreugde te verwerven. Koom! en dat ik U voor myn sterven, Dus ook nog in myne armen druk!
1751.
Cookies on Poetry Cove