I. Tegenzang.
Toon: Amis, Partagons notre vie.
HAmburg, de kroon der Duitsche steden,
Schoon niet zo groot, als Gysbrechts wal,
Pronkt meê met duizend heerlykheden,
En hooge torens zonder tal,
Terwyl haar' trotfe stroompaleizen
Tot aan des waerelds ander end
Met koopmanschap de zee doorreizen,
Die best haar' magt en rykdom kent.
2.
En wil het Y met Juffers pronken,
De Hemel heeft myn stad met praal
En puik van Vryërs ryk beschonken.
Zie maar den Bruigom voor een staal.
Want zoektge een schat van braave zeden,
Of zoete taal, of fraaien zwier,
Of schoonte, of welgemaakte leden,
Gy vindt het alles saamen hier,