Skip to content
1602

Der stadt Leyden Dienst-bouc

Jan Hout

Opt ontset van Leyden Lofsang. 1. Gy, vviens gelijc niet vvezen zal, Niet is, niet vvas: Ghy die het al Van niet tot vvezen hebt geschapen: Gy goede Harder van u schapen Leyden uvven naem mit recht Tot den hogen Hemel drecht: Tot den Sterren moet verheffen, Jae veel hoger overtreffen, Al u herelicke daden, Al u heylzame genaden:

2. Die van v handt haer zijn geschiet: Als sy noch onder het gebiet Des Prinche en Forsten van Oraengnyen (De schric en ijsing van heel Spaengnyen) Staende vvas: in vvelcker hart Men de Burricht ziet van vart, Wt de claver-rijcke velden, Die Gods handt rontsomme haer stelden, Hooch omringt van t'Oofsche steynen, Werc der strijtbarer Romeynen.

3. V hooge muyren doen gevvaer Gevverden zijn dat hem quam naer Tbehulp der Goddelicker machten, Wanneer v borgeren versmachten Deur den honger gants verneert Moeloos, bloeloos uyt geteert:

Als den moet heel vvas verloren Door tgebrec van tspijsbaer coren: Als door tvvoeden vander pesten, Weerloos vvaren uvve vesten.

4. Dier tijden als de tvveede mael Des Conincx van Escuriael Veel duyzent knechten v omringen, En mit veel starcten vast bedvvingen. Als den Nembrot van Madril Nam tbroot uyt v mont, en hil Wt u drooge en dorre kaecken: Als gy niet dan laster-spraecken Hoorde van de Spaensche fielen, Die v zochten te vernielen.

5. Wat manlic is, en zo bejaert Die op zijn dgie cost gorden tzvvaert, Men dreycht mit killen, hangen, branden: En naer tschoffieren en tot schanden Vrouvven, Maechden, Dochters teer Sterven aen tBisschaeys gevveer, Vallen in tspits der rapieren Van Valencen: zonder vieren Of medogentheyt te buygen Niet den kinderen die zuygen.

6. Hoe menich, ach, onnosel vvicht In smoeders vvambe, die tclaer licht Noch niet gezien had, vvaer genomen (Tgedencken, las, maect ijslic schromen) Wreedich uyt den buyc gesneen, En verplet, of doot getreen,

Aen de vvant den cop geslagen Voor tbeginsel van haer dagen. Deze dreyging most gy hooren Van tonnosel bloet versmooren,

7. Mer ziet, o vvonderbaerlic dinc, Ons God gaf mer een oogen-winc, Zijn vvraec-hand vvas nau opgeheven Daer al te saem aen tschudden beven Thart, bestolp een groote vaer Even als de vrouvven zvvaer Die den arbeyt voelen naeren, En den vveedom naect van baeren, Sulc verschricken hemluy allen En verbaestheyt heeft bevallen.

8. Zy gaven hun strac opte vlucht, Gelijc bloo honden die tgerucht Des lichten jagers heesschen hooren Van verre is tuytende in haer ooren. Als het hitsich honts geblaf Thert van thart vveemoech en laf Makende is, en dvvingt langs d'open Velden, snellic vvech te loopen: Vuyrich ellic hem zo stelden Deur te vvaen de vochte velden.

9. Zy van malcander zijn verschoyt, Zy van den ander zijn verstroyt Recht als de slingerende schepen Wanneer tgehuyl van cabels, repen Door tstuyrsch Noordelic geblas Schielic aenbevochten vvas,

En om tnacht-licht aen te treffen, Doet de vlact des zees verheffen: Als van dAmphitrijt de baren Nu den hoogen Hemel naren.

10. En zouden vvy dees daden groot, Die Leyden zijnde in zulcken noot, Ontfing, van tGoddelic vermogen? Die vvy mit dic betraenden oogen Zagen, zittende in de doot, Die ons al hing over thoot, Onze kinders en gezellen Niet mit blijschap groot vertellen? Zouden vvijt ons enckels neven Niet mit vreuchd' te kennen geven?

11. Gevvislic neen, o neen gevvis De zaec niet om te zvvijgen is, Mer moet geroemt zijn tgunt die dagen In deze Stadt onze oogen zagen Door den honger tlijf zo laf Werden vvas, den moet gans af, Zo ontmant, dat opter vvachten Niemant lust en hadd' te achten. Mocht de moet hem zo bedelven, Dat elc minst docht op hem zelven?

12. Alleen de Goddelicke macht, De vvaec by daech, de vvaec by nacht Bevolen vvas, en heeft gehouvven: Op hem alleen stont al tbetrouvven: V alleen vvas schorm en schilt Leyden zijne goetheyt milt

Schaer-vvacht, schilt-vvacht, harnas, vvapen, Vesting, burrich, bedde om slapen, Beuckelaer om af te vveeren Ende al tgeen dat conste deeren.

13. O hulp des noots, o handt heylsaem Als vvy versticten in onze aem, Ende in de tvvijfelicke nooden, Tot v alleen om bystant vloden: Baden dat u rechter handt Wou behouden onzen standt Als vvy al mit knyen gebogen V ons bangicheyt vertogen, Zachmen u barmhertich neygen, Voelden vvy vast opvvaerts steygen:

14. Naer uvven hemel hooch tgebet, Tgebet, ons inde mont gezet Van v o stuyrman onzer tongen, Ons hert hebt gy bevveecht, bedvvongen Om u die ons vvou by staen In die noot te roupen aen, Ja hebt die tot v getogen: Als de naelde die gezogen Wert, door heymelicke treecken, Wezende aen d'Aymant gestreecken.

15. Barmhertich Vader tvvas u vvil Dat u oor ons gebet bevil, Geensins om dat vvy in die dagen Vernedert vvaren en verslagen: Mer tscheen in u oogen schoon Door tverdienen van u zoon

Die aen thout des cruys geslagen, Voor ons heeft den vlouc gedragen: Als ons hiel de hel veslonnen Heyl voor ons heel heeft gevvonnen.

16. Een onverganckelicken rom Van dijns naems heerlicheyt daerom Alomme in al des vverelts plecken In tvvijt en breet hem gaet uytstrecken, Daer de zon int Oosten licht, En ons toocht zijn lief gezicht, Daer zijn glinsterende stralen Zijnde opt hoochste vveder dalen: Daer hy vint de Wester oorden, Ooc in tsteedts behijselt Noorden.

17. Wanneer Gods handt hier in dit dal Den Trotsen lasteraer tot val (Valdees, dees val van sHeeren handen V overquam tot uvver schanden) Had geslagen, in die uyr Sprong van vreuchden op u muyr, Als een callif inder vveyden, En verblijde' haer mit v Leyden: Heft haer op, begint te danssen, Jaecht den vyant uyt zijn schanssen.

18. Wel aen gy volcken, comt en vveest Mit ons verheucht in deze feest, Ons straten, marcten ziet ten besten, Betreet ons chingelen en vesten, Schout de hooge Kercken aen, Daer dit vvonder is gedaen

Door de Heere der heerscharen, Die den zvvacken can bevvaren, En verlossing gaet betoonen, Wilt hem dies mit danc beloonen.

19. Alzulcke goetheyt voor gemelt, Aen uvven kinderen vertelt, Op dat elc tdrie-eenich vvezen Mach leeren kennen, minnen, vreezen: Dat by elc een mach zijn gedient God die tgoet alleen verlient, God de Heer van sHemels hoven, Leert hem vastelic geloven, Dat alleen van zijner machten, Troost ter noot staet te vervvachten. FINIS.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Der stadt Leyden Dienst-bouc · Jan Hout · Poetry Cove