Cecilia.
Is dit dien Floriaen daer men soo veel van seydt?
Is dit dien Ionghelingh vol brave geestigheydt?
Is dit dien helt in alle wetenschap ervaren?
Is dit dien Herder, die hem in zijn jonghe jaren
Soo mannelijcke draeght: in deught zijn jeught besteet?
Dat yder niet genoegh van hem te segghen weet:
Het wesen wyst het uyt, beleeftheden bethoonen,
Dat in zijn vroom gemoet veel heusche deughde woonen.
Een Herder naer het kleet, maer na 't gemoet een Prins,
Ick schuyl my wat ter sijd': ick sie hem (dunckt my) gins
Al herwaerts comen aen, gelijck de Son in 't rysen,
De gantsche Werrelt door sijn schoonheydt komt bewysen.