Prophyrus. Me-Vrou, het kloeck beleydt van woorden, sin, en reden Verdooven (ick beken 't) voor dees tijdt mijn gebeden. 't Sy dat ick bidd', of smeeck, het is al min als niet. Queel ick een nieuwe voys, ghy singht u oude Liet. Laet sien wanneer een Paerdt den teughel niet wil hooren Oft gheen bewegingh sal gevoelen door de Spooren. Ken ick verkrijgen niet met bidden en geklagh: Laet sien of ick met dwangh aen u dan niet vermach. Na d'hetten van de Zon gheen Wolck te deeghen watert
Voor dat een fel gedruys van Donder daer by klatert. Niet eer en sal mijn lust ghenieten u begeer Voor dat ick (door de wil) mijn thoon u over-Heer. En ken ick met ghebeen by u dan niet uyt-rechten, Soo sal ick dese strijd met and're middel slechten. Mijn wil is nu mijn Wet; En door dwangh van mijn macht Sal oock de Wet mijn's wils van u werden volbracht. Ick geef u een van tween naer uwe sin te kiesen, Dat is: mijn wil te doen, of 't leven te verliesen. Soo ghy de lust mijn niet toe-laten wilt om geld, Om smeecken, noch ghebeen, soo sal 't sijn met gheweld. Daer baet gheen suchten aen. Ghy sult door 't droevigh schreyen Begeerte tot de lust (Rozette) doch niet peyen. De brandt die blaeckt te heet. Het vuur dat is te groot. Eer ick de lust verdoof, ick sterf veel eer de doot. 't En baet Rozette niet u tegen-strevigh woelen. Het sy u lief of leed, ghy sult mijn lusten koelen. Tsa, volght de wet mijn's wils. Beproeft mijn soete dwanck Die niet als vreughden teelt, hoe wel tegens u danck.
Cookies on Poetry Cove