Skip to content
1634

Eerlycke tytkorting

Jan Harmensz. Krul

Stemme: Si tanto gratiosa, &c. 1. DAel Moeder vande minne, Dael naer beneen, alwaer met soet verlange, Nu veel vereende sinne Wt liefde staen gereet om u t'ontfanghe: Met Bloem, en Kruyt,, om voor de Bruyt Te doen Liefd's offeranden,

Dael, dael beneden,, daer ghy wort aengebeden Om te branden.

II. De Cruyden, Bloemen, Roosen Die u verweende Tempels Altaer çieren: En op het çierlijcst bloosen, Diens geur met vlam, ten Hemel wy op stieren. Blaeck, brand, en stoockt,, ey smeult, en smoockt Met reuck van Roos, en Bloemen, Op dat wy 't branden,, een heylich offeranden Moghen noemen.

III. Bepronckt u Aerdtsche Tempel Met blakerende vlam, en flonckerich stoocke, Daer de bestroyde drempel Dicht onder Maeghde-Pallem leyt gedoocke; Kniel, kniel doch neer,, de Liefd' ter eer, Met vreughd' van sangh, en speelen, Dat u de Goden,, door 't eeren haers geboden Zeghen deelen. Ghedenckt te sterven EYNDE.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eerlycke tytkorting · Jan Harmensz. Krul · Poetry Cove