Ter Eeren den Soet-Vloeyende Poët J. H. Krul.
GHy die Parnassi Top so mildich hebt beladen
Met Konsten Negen-werf, het sterff'lick toege-wijt:
Hoe wel dat Momvs spot, en Soylvs barst van spijt,
Vlecht mvsen ons Poët, een Krans van Lauwer-bladen.
Vergadert voort by een, ghy Nimphen en Naladen
Die Amstels Stadt bewoont, u op het hooghst verblijt
Krult Mirth! een Krul ter Eer, beschrijver van u tijdt
O Maeghden, om u lust, in Rijm-Kunst te versaden.
Hier wort u voorgestelt Soet-vloeyent in Ghedicht
Het Beelt van ware deught, tot elcks vermaeck ghesticht,
Het welck sijn Naem sal doen een groote Lof verwerven,
Want Redenrijck hier bloeyt, dees Blaed'ren blijven groen
Gelijck de Reghel tuycht, Je Blijft in Eelen doen,
Want Salich is hy die altijdt Ghedenckt te sterven.
J.V.A.
De Tijdt Leert.