Raniclis
hebbende den Brief.
ACh! aengename gift van mijn gewenste Lief,
Ach! oorsaeck van mijn vreucht, ick kus de waerde brief,
Ach! soete woortjes, die u Raniclis doet leven,
Ach! soete lettertjes, seer kunstelijck geschreven,
Ach! lieve Rosemondt, vooghdesse mijnes Ziel,
Ach! af-godin mijns herts, de liefd' wil dat ick kniel,
En soo veel danckbaerheyt de Goden sal bethoonen,
Als u verdiensten lief, sijn waerdich te beloonen:
't Schijnt dat der Liefden God, na langh geleden pijn,
Op 't onverwachst sijn gunst ten vollen stort op mijn;
Dies ick u Godtheyt sal met lof, en vreuchde loven,
Liefd's Altaer çieren op van onderen tot boven
Met vuyr en Offerhandt, op 't statighste gedaen,
Opdat mijn danckbaerheyt ten Hemel op mach gaen;
Dies kniel ic voor liefd's Troon, om storten mijn gebede,
V machtich minne Godt, alleen tot danckbaerhede.
RANICLIS knielende voor de Tempel, alwaer hy (Cupido staende) met Offerhande sijn Godtheyt is danckende: ondertusschen moet hier Musicael ghesonghen, ende ghespeelt werden.