Cassandra.
ROgier, de trots die my door 't weygeren is geschiet,
Sal u een oorsaeck zijn van quellingh en verdriet:
Ick sal om mijn op u, na lust, en wensch te wreecken,
De wetten van de eer, en plicht, der Maeghden breecken,
Misbruycken gaen mijn schoot, en spelen u een pert
Waer door u yd'le roem van eer verduystert wert:
Ick sal, Rogier, ick sal uyt spijt my doen beslapen,
Op dat uyt mijn een Vrucht in onecht wert geschapen:
Van welcke daet ick u op 't hooghst beschuld'gen sal,
En brenghen al u eer (door dit beleyt) ten val.
Binnen.