De Gheest van Cassandra. STaeckt, droeve kommernis, deughd' lievend' Ionghelingh, Die ick drie jaren langh in geyle lust nae gingh, Tot my dees diepe Wondt het leven heeft benomen Wanneer ick onder stond' u valslijck nae te comen, Door raet eens Toveres: my moeten onder weegh Die gene, waer van ick dees sware wonden kreegh; Vermits ick waenden dat ghy 't waert Rogier, wiens minnen Met dulle Raserny verwerden my de sinnen: Soo dat ick onbedacht, door Goddeloose raet Opt hooghst vervallen ben in een vervloeckte staet, Mits ick het Helsch gespuys te hulp socht u te quellen Soo lijd' ick nu de straf, en wreede pijn der Hellen; 'k Ben door u deught geparst te comen voor den dach, Op dat ick daer door u mijn doodt getuygen mach; En dat ghy weten soud' mijn leven is ten ende Most dees mijn comst geschien: dies ick my weder wende Ter plaets, daer naer geween, en bitterlijck geschrey De Helsche Poel beswalckt met suchten veelderley. Binnen. Rogier. Ick schrick in mijn ghemoedt, rechtvaerde straf doet blijcken Dien God, van wien mijn hoop sal nimmermeer beswijcken, O wonderlijck bedrijf, ick speur (o God) u macht Met welcke ghy my hebt in het gemoedt verkraght, Dat ick als machteloos, Heer, dijn Almogentheden
Genootsaeckt ben nochtans met krachtige gebeden Te loven: Vader ach! wat voor een danckbaerheyt Sal ick bethoonen God, mijn Hemels Majesteyt? Voor dit gheluck, 't welck my gheschiedt is door het sterven, Van dees Cassandra, om wiens wille ick most swerven Als ballinck achter landt, ghescheyden van die geen Die ick soo trouw'lijck heb gelieft; mijn lief Heleen: Nu sal ick dach, noch uyr versuymen, maer my stellen, Om my in d'Echte met Helena te versellen; Dies weghen laet ons gaen, ter plaets daer men Godt eert, Op dat mijn droeve druck, weer in gheluck verkeert. Binnen.
Cookies on Poetry Cove