Prophyrus.
Heeft noch u vies geklap en zotte praet geen ent?
't Vermanen is vergeefs; ick ben dit niet gewent.
Daer helpt noch dit noch dat; ghy sult voor ditmael moeten
V neyghen na mijn wil: mijn geyle tochten boeten.
V lichaem dat en sal niet rusten door de doot
Voor dat mijn lieve lust haer wil heeft van u schoot.
Niet eer sal u de dood ter Aerden nedervellen
Voor dat de lusten soet mijn wil te vreden stellen.
Nier eer heb ick mijn wil. Niet eer ben ick voldaen
Voor dat ghy mijn begeert' in alles toe sult staen.
Mijn handen sullen eerst omhelsen met vermaecken.
Mijn lippen sullen eerst bedrucken uwe kaecken.
Niet eer en sal de dood verminderen mijn rou
Eer u mijn Manne-kracht ghemaeckt heeft tot een Vrou.