Skip to content
1634

Eerlycke tytkorting

Jan Harmensz. Krul

Prophyrus. Meent my u slim beleyd met sulcken schijn te peyen? Meent ghy geblind-hockt so my van mijn spoor te leyen? Dat sal niet willen sijn. Dus swijght daer van vry stil. Nu kom Rozette, kom, en voeght u na mijn wil. Rozette Ach! Prophyre bedaert. Porphyr. Rozette, zijt te vreden. Rozette Ach! Prophyre, gaet wech. Porphyr. Het sijn verlooren reden. 'k Heb langh genoegh gewacht. Rozette ô Goden! geeft mijn raet. Porphyr. Ey! sucht niet. Rozette Dood mijn doch. Porphyr. Wel waer toe dese praet? Sit neer. Rozette Ach! laet my staen. Porphyr. Gaet voort, je moet. Rozette Ey! niet. Porphyr. Nou, nou. Rozette Gaet wech. Porphyr. Com, Com. Rozette Ick bidd' u van mijn vliet. Porphyr. Hoe dus? Rozette O God!

Porphyr. Wat nou? Rozette Bedaert. Porphyr. Wel aen. Rozette Mijn Eer. O Almogende Godt! gedooght het nimmermeer; Ghy sult mijn (Prophyre) in Eer noch Faem verdrucken, Al soud' ghy mijn het hert uyt dese boesem rucken. Ghy sult mijn (Prophyre) niet brenghen tot een val, Soo langh een druppel bloed in d'Aders blijven sal. ô! Deughd-lievende Godt: geeft uytkomst in ellenden Nu een benaude vlaegh mijn leven schijnt te enden. Thoont u Almogentheydt; Gheeft uytkomst in verdriet. Verlaet in tijdt en nood (ô Heer) de uwen niet. Beweeght het stael gemoed tot mely en medoogen Door een oprecht gesucht, en nat betraende oogen. O! Al-vermogen God: laet mijn oprechte smert Door-dringen sijn gemoed: Ontlaten 't harde hert. O! Goden (ist u wil) aenhoort mijn droevigh kermen. Och! isser eenigh kans, soo wilt mijn Eer beschermen, Of machtight, door u macht soo sterrick mijn geklagh Dat ick sijn boose lust (ô Goon!) betemmen magh. Regeert mijn door 't beleyt uw's Goddelijck vermoghen, Dat ick mijn vyand mach bewegen tot medogen: De vyand van mijn Eer; De Roover die mijn pranght Om yets daer al mijn pracht, mijn Lijf en Ziel aenhanght. Bevrijd mijn voor dat quaed, dat ick door sulcke stricke

Niet smoore, oft vergae, vermoord werd, oft versticke. Soo niet genadigh Godt, of werd de daed vervult, Ghy weet het dat ick dan moet zond'ghen sonder schult; Wie sonder schuld misdoet, mach die misdadigh heten? Ick hoope neen, na het gevoelen mijn's geweten: Maer die met dwangh tot faut van zonden oorsaeck gaf. 't Onwilligh hert is vry, 't verdubbelt doeners straf.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eerlycke tytkorting · Jan Harmensz. Krul · Poetry Cove