Skip to content
1634

Eerlycke tytkorting

Jan Harmensz. Krul

Rozette. Ghy stelt mijn wille-keur, van twee het een te keuren; Ick kniel ootmoedigh neer; Magh 't Prophyre ghebeuren Dat het mijn werdt verleent; dat het my werd gejond: Laet Mijn een lieve dood bevryen van de zond.

Is u verstaelde hert van eenige medoogen: Bevrijd mijn Eer, en doet my sterven voor u ooghen. Ghelooft dat mijn u macht tot sterven blijder maeckt Als te gedoogen dat oyt hand mijn lichaem raeckt. Soo ick niet met de doodt mijn schande derf bedecken, Hoe soud' ick dan op Aerd' een Eerb're Maeght verstrecken? Geen Maeght bemint haer Eer, indien sy niet en can Onkuysche handelingh weerstaen van eenigh Man. Dus Prophyre geknielt legh ick hier voor u voeten. Ach! wilt door mijn gebeen u herdigheyd versoeten. Let eens op het vervolgh van u voornemen quaed; Ken 't Menschelijck gemoed hand-haven sulcken daed? Niet dat ick hier door soeck mijn leven te verschoonen; Maer denckt met welcke straf dat ons de Goden loonen. Gheen dood en baerd my schrick. Geen sterven acht ick pijn Soo ick door 't sterven mach bevrijd van zonde sijn. Maer Prophyre bedenckt: als ghy na u behagen Af-kort de brosse draed van mijn begonnen dagen; Denckt als ghy al u lust tot zonden hebt geboet Wat slaverny dat ghy u onderwerpen moet. Denckt als ghy mijne ziel onschuldigh doet verscheyen Wat swarigheydt dat ghy daer voor hebt te verbeyen. Denckt Prophyre dat ghy sult boeten uwe schult, Wanneer ghy met de dood ter Vierschaer komen sult.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eerlycke tytkorting · Jan Harmensz. Krul · Poetry Cove