Skip to content
1634

Eerlycke tytkorting

Jan Harmensz. Krul

Floriaen blijft met een des Konincx Dienaers. Ha albesiende Goon! mijn sinnen en gedachten Vliegen ten Hemel op met geestelijcke krachten:

De Werelt loos en boos, de menschen valsch en quaet, Die schroomen geen bedroch, maer oordeelen uyt haet; De Vromen dickwils vuyl, en fielen vaeck voor Vromen, Doch die 't gemoet voldoet, hoeft lasteringh niet te schromen, Verwesen tot der doodt, Cecilia Godin Om dat ick eerelijck u heusche Godtheyt min, En ghy my minne draeght: nu wy vereenicht beyde Lichamelijcke zijn, moeten de Zielen scheyden: O scheyden al te wreet; niet wreet door doodes pijn, Maer wreet, om dat ick moet van u gescheyden zijn: Cecilia vaert wel, vaert wel mijn uytverkoren, Ick ben tot u vermaeck mijn Engel niet geboren, Wanneer mijn Ziel (Godin) uyt 't lichaems wooningh gaet, Deckt dan u teere leen, lief, met een rou gewaet Ter eeren van u slaef, wiens trouwicheyt sal blijcken, En vuyr, noch swaert, noch doodt, noch geen tormenten wijcken, Ciert u Altaren op, ô Moeder vande Min, Dat ick gebeden stort, ter eeren mijn Godin: Godinne wilt om laech van boven komen dalen, Verselschappen mijn lief, die eenich hier sal dwalen Verschoven en veracht, als ick hier Zieloos ben, Van 't leven af gerooft en haer niet troosten ken; Brenght my van daer ick quam, mijn reden zijn gedaen, 'k Sal mijn ghedacht nu voort, met Godt bekommeren gaen. Binnen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eerlycke tytkorting · Jan Harmensz. Krul · Poetry Cove