Prophyrus.
SOo wie een schoone Roos op 't eelste siet ontdaen,
En in sijn soetste fleur aen sijne Distel staen;
Soo wie een aerdich Fruyt, siet aen de Boomen hanghen,
Die sal door lieve lust, naer het ghenot verlanghen;
Rozette; schoone Blom, gheen Vrucht, gheen eelder Fruyt,
Als 't Roosje dat alleen aen uwe Distel spruyt.
Rozette; schoone Maeght, u Lentens Somer daghen,
Verheughen my het hert, en voeden mijn behaghen:
Om van u lieve vrucht mijn wellust te voldoen,
En mijn ontsteecken lust met Minne lust te voen,
Rozette; lief, en schoon, ick heb een vast vertrouwen,
Dat ghy my niet en sult 't ghenot mijn's lusts onthouwen: