Skip to content
1634

Eerlycke tytkorting

Jan Harmensz. Krul

Veldt-ghesangh. MEldt Lomm're Bloempjes, die u groene Beemden çiert; Tuyght Stomme Beeckjes door u soet gemurmureer; Pluymighe Vogeltjes, tiereliert, Zephyre buyght de Telghjes door u koele winden neer; En spreydt de tackjes van het dicht beboomde Wout, d'Een voor d'ander,, van malkander: Om sien of daer mijn Nimph haer niet verborgen hout. Klapt lieve beeckjes, door het vlieten van u stroom, Ey! koele winden, drijft de bladers ruyssend' voort. Hoe zijt ghy in u loopen soo loom? Of rust mijn Nymphje wat in u gras-rijcke oort? Ach! neen. Waer vind' ick dan de voedster van mijn Min? Lieve Tackjes,, zijt mijn Brackjes. Ey! Beeckjes stroomt noch verder Boschwaert in. Wat let u golfjes, Cristalijne borrens-vliet: Dat uwe stroompjes silv'righ vlietend' niet en gaen? Datmense nu niet schommelen siet Al ruysschend' op en neder, maer treurend' stille staen? En dat u suyv're stroompjes trubligh zijn vermenght? Soo ick waene,, doen 't mijn traene, Die 't hert door d'ooghen in u klare Borne plenght. Ha! Keur-Vorstinne, om u ist dat mijn gesucht En flaeuwe klachten zijn bekent de hooghe Goon: Om dat ghy te wreveligh van mijn vlucht, Soo zijn mijn klachten aen de Goden mijne Boon: Om te getuygen haer mijn onverdinde smert Die door d'ooghen,, uw's vermooghen, Wt de Borren-vliet van mijn bedroefde hert.

Hoe ken het herte datter in een lichaem woont, Noch blijven onbeweeght? aensiende dat een helt, Sijn tranen tot ghetuyghen u thoont: Hoe 't hert uyt liefde, om sijn Lief lijdt liefd's ghewelt, Om dat ick my (Godin) niet derf onderstaen V te spreecken,, u te smeecken, Moet ick in dese brandt stil-swygende vergaen. Eynde.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eerlycke tytkorting · Jan Harmensz. Krul · Poetry Cove