Skip to content
1634

Eerlycke tytkorting

Jan Harmensz. Krul

Stemme: Schoonste Nimphe van het VVoud. OCH! wat pord mijn jonger hert,, tot de smert: Die mijn menich-mael komt plagen. Hooge Goden (hoe dus wreedt?) 't Is mijn leedt:

Waerom hebt ghy mijn ontdraghen D'Afgod? die mijn hert en sin,, door de Min Heeft gheboeyt aen sijn begheeren: Vlucht, nu dat ick ben gereet,, om sijn leet

In vermaeck te doen verkeeren. Ach! bedroefde Eeuw, en tijt: Wat een spijt Thoont ghy nu aen my, door 't scheyden. Waerom buyten Liefd's-besteck,, in 't vertreck

Lieve Lief niet met ons beyden? Daer ick met mijn hert en sin,, u bemin, En beminnen sal als eyghen. Hoop en Vrees die voeren strijd,, tot de tijd

Het gheluck tot ons wil neyghen. Soo ick 's nachts (door 't slapen) koom,, in een droom, d'Oude vreuchden my in-beelde; Ia ick schijn met soete lust, in mijn rust

Swemmend' in een Zee van weelde. En ick roep met luyder stem,, dan na hem 't Schijnt een Echo weer te roepen: Moght ick van mijn lieve mond,, die mijn wond

Steels-wijs nou een kusje snoepen. FINIS.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eerlycke tytkorting · Jan Harmensz. Krul · Poetry Cove