Skip to content
1634

Eerlycke tytkorting

Jan Harmensz. Krul

Prophyrus. Rozette (lieve Nimph) laet alle sorghen varen, Ghebruyckt de soete Min. Het voeght u jonge Iaren, 't Is viese vasery dat ghy u selven quelt

De lusten van de Min te weerstaen met ghewelt. Wanneer u lieve hert tot lust werd aenghedreven Waerom wilt ghy de lust het soet gheweld niet geven, Maer als een Boompje groen, dat Dau en Reghen schort, Verwellickt en verdooft? Ghy doet u Ieughd te kort. Rozette, jonghe Maeght, al sachjes, wilt u leven Tot sulcken lastigh pack noch soo betijdts niet geven: Schoon dat u teere schoot haer deur voor wellust sluyt Het is om niet ghepraet, de Ieught die moeter uyt. De Ieughd wil jonckheyds recht; geen geestelijcke klaghten, Maer eer het soet onthael van minnelijcke naghten. 't Waer schaed' soo schoone Bloem op sijne struyckje hingh Tot dat het vruchteloos verdorden, of vergingh. ,, Wat vreughde ken een Boom de soete Mey meed-deelen Soo hy gheen bloeysels draeght, om vruchten al te teelen, Wat wil een Ieughdigh Lijf, wat wil een vrolijck hert Verquisten sijnen tijdt met Geestelijcke smert. Rozette, 't is vergeefs. Rozette, 't is verlooren: V Ieught is voor het vleesch, niet voor de gheest ghebooren. ,,Gheen Fruyt is voor de Boom, maer voor die gheen ghejont Die door het plucken boet 's herts lusten met de mont. Wy sijn in 't aldersoetst', in't groenste van ons leven,

Om tot de soete Min ons beyde te begeven. 't Is nu de beste tijdt, die niet en dient verspilt, 't Is nu de beste tijdt, indien ghy Minnen wilt. Wel dan Rozette, comt, ghebruyckt u jonghe daghen Laet varen alle sorgh, 't is hier gheen tijdt van klaghen. Laet treuren met ghequijn, wiens tijdt na 't eynde prest. Laet suffen wie der wil. V voeght het Minnen best. Ey! kom, Rozette kom: laet ons voor alle saecken het pleyten voor de geest, voor dees tijdt (bidd' ick) staecken. Laet ons alleen het recht der Minnen wijsen aen: Dat op het best nu voeght van ons te sijn gedaen. Wat stady dus bedeest, en twijffelt om te keuren? Wat pord u groene Lent soo druyl-oorigh te treuren? Wat stady dus en peynst, en weet noch hoe, noch wat? Stelt twijffel aen een zijd'. Schoon Lief, slaet om dat blat. De roem van heylicheydt, is maer een ydel praetje, Rozette (jonghe Maeght) tapt uyt een ander vaetje. Verquist soo quackloos niet het Roosje van u Ieught, Gebruyckt de soete Min, behoudend' uwe Deught.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eerlycke tytkorting · Jan Harmensz. Krul · Poetry Cove