Juliana. Als ick mijn droeve Staet aendachtich overweegh, Soo vind' ick (laes!) mijn hert van alle vreughde leegh: Ick ben een Koninghs Kint geteelt van Edel bloede Berooft van Erf en Landt, van Schat, van Staet, van goede; Waer toe (ach leyder!) ist ghekomen nu met mijn? Dat ick (eylaes!) moet een verwurpen Dienst-Maeghdt zijn Hier op een vreemde plaets, by ongeachte liede, Daer ick in ballinghschap (om straffe te ontvliede) Het Arme Vee moet hoen: en dat my meest berout, Ick heb een Bedelaer tot mijne man getrout; Hoe Iuliana, dat ghy dus u hebt vergeten, En sonder achterdocht, of kennis af te meten: Hoe door 't verloop des tijdts, het luck noch keeren ken; V ist (ô Goon!) bewust in wat verdriet ick ben: 'k Heb Celidon belooft, maer ach! wat wil het wesen? Door hem en ken ick noyt tot staet weer zijn geresen: Wat beeld ghy Juliana steedts u selver in? Waer toe u dus ontrust door een verwerde sin? Drijft dees ghedachten uyt, en voeght u na de rede, Ghy hebt al wat ghy meught indien ghy zijt te vrede; Wanneer ghy u bedenckt, en wijsselijck beraedt, Soo gaet de kleynicheyt verr' boven hooge Staedt: In my ontbreeckt doch niet, als maer een goet ghenoeghen, Dies ick my daer na hoop te neyghen en te voeghen.
Ick sal, ha! lieve Lomm're Bomen Wat nader uwe groente komen, En setten my wat neer op u begraesde kant: Daer beecxkens Cristalyne vlieten Al ruyschend langhs u oever schieten; V Oever die met Elsen tackjes staet beplant.
Ick sal in u begraesde dalen, Mijn droevich hertjen wat op-halen: En plucken Bloempjes, uyt het natte Cristalijn, Wiens drifjes ruysschend' neder vallen, Voen Bloempjes, kruytjes, aen de wallen, Waer van ick plucken sal mijn Lief een kransselijn.
Om hem mijn Ziels Apol te noemen, Sal ick hem met een Krans van Bloemen Bekranssen, hem die ic keur voor mijn waerde Man En Offeren 't hem op met vreughde, Die my doet minnen om sijn deuchde, Sijn deuchde die ick na waerdy niet loonen kan.
Nu Juliana voedt u sinne Hier in 't Belommert groen met minne, Dewijl ghy Juliana hier alleenich bent, V droeve sinnen wilt verpoosen, Verschuylt u onder dese Roosen, Een Liedtje singht, op 't aerdichst Voysje dat ghy kent.
Cookies on Poetry Cove