Skip to content
1634

Eerlycke tytkorting

Jan Harmensz. Krul

Cypriaen komt met eenighe Speel-luyden, voor de deur van Rosemondt.

DE nacht, de bruyne nacht, beschaduwt Bergh, en Boomen; O nacht! ghewenschte nacht, vreucht voedtster voor die gheen,

Die met geruste slaep haer vreuchde schept in 't droomen: Daer ick hier voor haer deur op-offer mijn gebeen, 't Bedroefde hert vol pijn soeckt yets tot sijn vermaken; De Min, eylaes! de min mijn geest tot rijmen dreef, Op hoop met vreucht mijn smert u hertje moght gheraecken: Dies op ghevoysde maet, ick dese vaersjes schreef, Dees veersjes, die voor u mijn Rosemondt met snaren, Met lieffelijck geluyt al mijn bedroeft verdriet, Al klagende met vreucht, mijn smert sullen verklaren, Vangh aen, en queelt met vreucht, de pijn die ick gheniet. Wert dit navolghende ghesonghen, ende ghespeelt. VLiedt heen droeve sughjes, Na mijn Rosemondt, wiens hertje brandt (eylaes!) van soete minne, Venus uwe vruchjes VVortelt ghy in 't hert, van mijn verliefde lieve moorderinne. Droeve traentjes mocht ick u menghen in haer bloedt, Rosemondt, ick weet, Mijn smert, mijn leedt Beweeghden u ghemoedt.

Maer wat ist (ô Goden) Of ick klachjes, traentjes, suchjes Offer aen mijn Rosemonde, Ghy (door u gheboden)

Hebt haer inde Min, met trous beloften waerdigher verbonde, Vlieght ten Hemel, droeve sughjes, tuyght aen de Goon, Dat ick om de Min Van mijn Godin, Moet sterven duysent doon.

Ach! hoe ken ick leven, Als ick Rosemondt, bedenck hoe ghy in lusjes van de Minne, Sult ten Offer geven Lipjes, borsjes, hartje, zieltje, ja u selfs aertsch Godinne, Droeve ghedachjes sullen mijn tuyghen wat u gheschiet, Lieve minnens vreucht, Mijn lentens jeught, Moet smooren in verdriet.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eerlycke tytkorting · Jan Harmensz. Krul · Poetry Cove