Rogier. HOe vrolijck en gerust zijn sy, die haer begheven Wt 's werelts slaverny, en gaen gherustich leven, Daer eendracht veylich woont, oprechticheyt omgaet,
Daer nimmer vroom ghemoedt zijn naeste plaeght met haet: Hoe rustich leeft een mensch hier met een kleyn te vreede, Na wetten des Natuurs, niet na begeerlijckheede: Cassandra, 't is om u, om u Godloose min, Dat van mijn Ouders ick mijn afghescheyden vin; Cassandra, om wiens lust, om wiens oneerlijck minne, Moet ick my eenich hier in vremde lande vinne: Cassandra temt de tocht, die u de Ziele schaet; Cassandra, blust het vuyr van u Godtloose haet, Waer mede ghy de glants mijn's eere soeckt te dove, Dat yder een van my een quade daet gelove: Ghy doopt u laster tongh in schadelijck venijn, En spuw't u boos vergif volmondich uyt op mijn; Beslapen liet ghy u, onkuysschelijck onteere, Om mijn (uyt spijt) de Vrucht als Vader op te sweere; Ten aensien ick u min vol geylheyt heb versmaet, Thoont ghy u valscheyt my met onverdiende haet; Dits d'oorsaeck dat ick vlught, en blijf de Goon bevoolen, Dits d'oorsaeck dat ick sal in eensaemheyt gaen doolen In eensaemheyt: (eylaes!) sal ick nu doolen gaen, Doch met een vaste hoop in Godt, ghewortelt staen; Een vaste hoop in Godt, versterrickt mijn vertrouwe, Dat by de vroomen ick sal worden vroom gehouwe: Schoon ghy u laster tongh doopt in een boos fenijn, En spuw't u snoot vergif volmondich uyt op mijn; Soo sal nochtans mijn Ziel onschuldich zijn bevonden, Die ghy soo schandelijck bemorst met laster sonden:
Hy die in zijn ghemoedt gheen schult van schant-vleck ziet, Die schaet de magere nijdt in 't alderminste niet.
Cookies on Poetry Cove