Koninck met al zijn staet. VVIe woonter minst op Aerd', die Goden meest behaeght? Die, die in lief en leet hem even danckbaer draeght,
En die de gaven van Gods milde hant ghesonden Behoorelijck ghebruyckt, die werter minst ghevonden: Wat schepsel heeft natuer ter Werelt oyt gheteelt? Wat gaven heeft Fortuyn de Menschen oyt ghedeelt? Wat luck heeft het gheluck den mensch toe kunne voeghen, Daer hy sich danckbaerlijck heeft laten me ghenoegen? 't Zy Keyser, Koningh, Prins, Monarch, Vorst, of Heer, Hoe hooger in 't gheluck, hoe grooter in 't begheer: Besit hy Rijck, en Kroon, beheerst hy Land', en Lieden, Heeft hy zijn wil tot wet, doet wellust hem ghebieden, Noch is het niet genoegh, soo ick bewijs betracht, Behoef ick anders niet als Alexanders macht: De overheerschingh van sijn onversade sinnen Was d'Werelt niet ghenoech, hy wilde meerder winnen: Ey! dwase sotterny, ghetuyghen dat bestaet, De Rijckdom in 't vernoeghen, niet in overdaet: Mijn Schepter, en mijn Croon, mijn Rijck en mijn ghebieden, Beswaren my veel meer met sorgen en verdriet, Alst sober leven, van ghemeene slechte Lieden. Wiens arbeyt geeft de Kost en sorghe verder niet. Wiens sorghe d'honger steelt, wiens stadelijck genieten. Verliesen doet in 't endt (door d'overvloet) de smaeck: Want door ghewoonten zijn de lusten mijn verdrieten, Mits ick door lust tot lust, in d'onlust dieper raeck. Wel waer toe dit verhael? een Vorst die is ghebooren Tot diensten van zijn volck, soo wel als tot haer Heer, Hoe: suft mijn moedigh hert? heb ick de lust verlooren, Betracht een heus ghemoet, dan geen bekroonde eer?
Mijn glory steyghert op, 't geluck verheft mijn daden, En climt van dagh tot dagh, vast na den Hemel toe, Het listelijck beleydt mijns Vyants is verraden, Helden; u vroomheyt ick daer van bedancken doe. V danck ick hooge Goon voor u ghenadigheden, Dat ick mijn Rijck besit, in stille rust en vreden, En veyligh draegh de Croon: mijn Scepter inde hant, En hebbe tot mijn wil de Vorsten van het Lant, In stille rust, en vreed' zijn al mijn ondersaten, Die met de vreede haer seer wel ghenoegen laten: Allerde: treet voor uyt, ten Hove mijn verwacht, Maeckt alle dingh bequaem, en vaerdigh tot de jacht. Allerdus 'k Volbrengh gehoorsaemlijck, sijn Majesteyts begere, Doch: mijn versoecken is, al eer ick derwaerts kere, Wat Honden dat ick best daer toe bestellen ga? Koninck Twee Winden met een brack, gaet heen ick volgh u na, Voort watter by behoort wilt alles wel versorgen, Om boeten jagens lust, soo haeck ick na de morghen. Al t'samen binnen. Trompetter blaest het daghet inden etc. Florentius (neffens Diana inde Koets legghende,) rijst op, ende vertreckt van haer.
Cookies on Poetry Cove