Skip to content
1634

Eerlycke tytkorting

Jan Harmensz. Krul

Stemme: Vaert vvel Scepters, &c. HIer koom ick voor u deur, Goddin, door hoop ghedreven, Nu dat de stille nacht de bruyne Aerd' bedeckt; Nu dat een yeder sich tot rusten gaet begheven, Begheef ick mijn ter plaets daer mijn u schoonheyd treckt. Waeckt op, Goddin, waeckt op, ey! staeckt u sluym'righ slapen; Ontsluyt de Hemelen, daer u ooghjes binnen zijn, V ooghjes, die (eylaes) tot quellingh sijn geschapen. Gheschapen tot verdriet, voor niemand, dan voor mijn. Waer meed' heb ick verdient de strafheyd ende plagen Die ick (Goddin) door u af-keerigheydt geniet? Hoe lastigh valt het mijn, dat ghy na u behagen Een Pijl van strafheyd in mijn teere boesem schiet. Doet op, Iuffrou, doet op, de vensters van u ooghen. Goddin, ey! kijckt eens uyt, siet wie hier buyten staet. Ontfonct u koele borst dan gantsch door geen medoogen Dat ick dus eenigh hier ga doolen achter straet? Ga waren voor u deur met klachtighe gebeden Waer ick de steenen meed' beweghe tot gheween; Die spraeckeloos, (eylaes!) getuygen de droef heden Die ick om uwent wil tot dus langh heb geleen.

Hoe menighmael, Goddin, heb ick wel voor-genomen Te knielen voor de Godtheydt van u ooghens glans; Maer ach! soo dra ick sie een ander by u komen Soo gaen ick deur, en denck; hier is voor mijn geen kans. Hoe menigh reys sien ick u lieffelijck lief koosen Als ick verby u deur by avond (Lief) kom gaen: Het bloet stijght my na 't hooft, en doet my schaemroot bloosen Als ick u sien omhelst, vaeck by een ander staen. Soo gaen ick hoopeloos mijn ongheluck beweenen, Alwaer 't vertrouwen mijn, door re'en, te vreden stelt: Dat u Godt (ô Goddin!) wil waerdiger verleenen Tot meerder droefheyd van, mijn, al te droeven Helt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eerlycke tytkorting · Jan Harmensz. Krul · Poetry Cove