Stemme: Phyllis quam Phylander teghen.
DOor 't verloopen van de tijden
Keert de droefheydt weer in vreucht:
Rosemond, het droevigh lijden
Dat ick leed om u Ieught;
Door een soete Minne-brand,
Slaen ick willigh van der hand.
Phyllis was het eerste vonckje
't Welck mijn jonghe borst ontstack
Wanneer een lieff'lijck lonckje
Wt hare ooghjes brack,
Op-gepronckt van de natuur
Met een tintelend' gegluur.
Met twee purpur-roode Roosjes
Bloeyden 't snee-wit kaecke-vel,
Schaemt-root vermenghde bloosjes,
Die ick niet vergeten sel,
Stonden als een pronck ten thoon
Op u witte wangetjes schoon.
Phyllis, als ick mijn ghedachjes
Op ons oude Minne voe,
Zend' ick wel duysend lachjes
V lieve ooghjes toe:
Dat sy sien de vriendelijckheyt
Die daer in mijn hertje leyt.
't Oude sal een nieu verwecken.
Phyllis vlecht een Roose-krans:
Laet my ten dienst verstrecken
Te leyden aen den dans,
Phyllis aen Amynthas hant,
Die met vreught de Meye plant.
Voor de pracht van van Hoofsche zye
Kies ick nu een Boere-py,
Voor Steedse pronckerye
De keurighe waerdy
Van de Roosjes, van 't ghebloemt,
Daer een Harderin op roemt.