Helena singht. SPoeydt vluchtigh vlugge voetjes, Na mijn moorderinne, Ach! al te traegh, en soetjes, Om mijn Ziel (uyt minne, Door trou, die Vrou, wiens hert, mijn smert niet ghevoelt) te geven, Sy die mijn Ziel, voor wien ick kniel, sy die mijn Ziel doet leven, Heeft (eylaes!) mijn doodt beschreven. Stoockt (Venus) u Altaren, Laet tot Offerhande Mijn Ziel ten Hemel varen, 't Lievend' lichaem branden, Godin, die 'k min, thoondt recht, u knecht, die uyt liefd' wil sterven, Om dat de Min, ach! Aertsch Godin, om dat de min moet derven, 't Geen de min soght te verwerven. Eylaes! ick mijn bereyde, (Nu ick mins luck derve,) Van u (mijn lief) te scheyde: Liefde doet mijn sterve, Vaedt wel, ick sel, dit hert, vol smert, gaen ten Offer draghen, De liefd' Godin; sal ick door Min, sal ick door (Min met klaghen,) Eynden doen mijn's levens daghen.
Elisabeth V aengenaem gesanck, mijn speelgenoot, verdient Dat men u eer, en lof, op 't alderhooghst verlient: Noyt hoord' ick soeter voys, noyt sulcke lieve woorde, Noyt sulck een deftich Rijm, als ick u singen hoorde: Soo wie met aendacht let volkomen op de sin, Die treckter uyt met smaeck, het voedsel vande min. Helena. 't Is Speelnoot als ghy seght. Cassand. Helena mach wel roemen Van al die minnen, de geluckighst haer te noemen: Om dat het Liedtjen is ghecomen van die gheen, Die haer getrouwelijck lieft. Helena. Cassandra, met wat reen Sout ghy beweeren dat het is gelijck ghy seyde? Dan doch dat sy soo 't sy, ey! kom wilt met u beyde V graesjes brenghen voort, sie daer heb ick het mijn: Nu kom, en laet ons zien, wie eerst de Bruydt sal zijn. Cassand. Daer is mijn graese krans. Elisabeth En daer de mijne mede. Helena. Nu vande Cransjes sal ick geven mijne rede: Cassandraes graesjes zijn gantsch los. Cassand. En d'uwe? Helena. Vast, Elisabeth ghy hebt het oock niet wel gepast. Elisabeth Hoe houden mijne niet? Helena. O neen; daer zijnder geene Die wel ghebonden zijn, (dunckt my) als mijn's alleene, Het is om dat mijn Blom is van het Egelentier. Cassand. En dat ghy wert gelieft (Helena) van Rogier. Helena. Wat rede dat Rogier wert by mijn blom geleken? Cassand. Om dat de telgen (die dees Bloem teelt) zijn als teken,
Dat dese Blom moet zijn met moey'lijckheyt gepluckt, Ten aensien, dat die geen die onversichtich ruckt Het Egelentier van een, om 't Bloempjen af te breecken, En eer hy 't krijght, ghevoelt, hoe scherp de doorens steecken: Ghy zijt het Egelentiere blompje, dat met pijn En moey'lijckheyt sal van Rogier verkregen zijn. Elisabeth V Emblema is goet, Cassandra. Helena. Ick Vertrouwe Dat u Lavender-blom, meer op Rogier sal houwe. Cassand. Geeft reden. Helena. Wel ick sal; De witte blom die seyt Met spraeckeloose reen, dat sy de suyverheyt En onbesmette deught alleenlijck af doet beelde; 'k Heb vaeck van u verstaen, dat deughde liefde teelde In u: en dat om deught alleenelijck ghy mint, Soo ist (mijn's oordels) dat men meerder geen en vint In deughden, als Rogier: doch hy is van geen rijcken, Dit acht Cassandra niet; soo dat ick ken doen blijcken Dat uw' Bloem op Rogier, veel meer past als de mijn, Om dat ick garen sou getrout met rijcker zijn. Cassand. Helena, wat het sy sal ons de tijt best leere; Laet van Elysbeths blom ons oock eens redeneere, Mijn liefde met Rogier is niet met al gepast. Helena. Waerom? Cassand. Dat weet ghy wel, de graesjes zijn niet vast. Helena. Elisabeth, en d'uwe zijn oock niet gebonden, Nochtans wert uyt de kleur uw's bloms dees zin ghevonden,
Het lieffelijck provens getuyght u liefdens teecken, Dan doch, de kleur des bloems, doet uwe liefde breecken: Om dat hy (die u lieft) meer min als liefd' betracht, En door bloet-stortingh sal zijn tot een val gebracht; Sult ghy niet lieven, maer de minne gantsch versaecke, En in een Maeghde staet aen 's levens eynd' geraecke; Dat mijn voorseggingh u dees proffetie brenght, Komt dat u blom met root, en wit t'saem is door-menght.
Cookies on Poetry Cove