Skip to content
1634

Eerlycke tytkorting

Jan Harmensz. Krul

Helena weder uyt, by haer hebbende een Kluysenaers kleedt, met een valsche Baert. VAerdt wel, noch eens vaerd wel mijn Vader, en mijn Moeder, Nu scheyt u eenich kint, dat Suster nochte Broeder, Dat vriendt, noch maegh meer sal om hulpe smeecken gaen,

Mijn troost alleen voortaen sal in dien hulper staen; Die van mijn liefde weet alleen de reghte gronden, Die my in mijne liefd', oprechtich heeft ghevonden: Ha! mogend' Hemels vooght, ghy die het al regeert, Buyght mijne wil dat sy naer u gebooden keert; Gundt my de wegh des deughds oprechtich te betrede, De loop mijn's levens tijt te slijten in gebede: Gundt my (Almachtich Godt) dat ick na desen dach, My uyt de boose strick des werelts scheyden mach; Gundt my (ô Hemels Godt) na Geestelijck aenrade, Te lieven suyverheyt, de werelt te versmade: De wetten vande deucht, in deughtsaemheyt altijt Op 't hooghst te komen na, in dit veracht habijt, In woeste wildernis my eensaem'lijck begeven, In schijn van Eremijt, om t'eyndighen mijn leven: O liefd'! nu ick niet mach genieten liefd's begeer, Niet in onsuyverheyt, maer Goddelijcke eer; Met mijn ghewenschte lief, (Rogier) die 'k liefde draghe, Sal ick gaen dienen Godt, mijn liefd's verlies beklaghe: In mannelijck gewaedt, en schijn van Eremijt, Op dat door dit beleyt, mijn eer geen schantvleck lijt. Binnen.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eerlycke tytkorting · Jan Harmensz. Krul · Poetry Cove