Prophyrus.
Hoe staen ick dus en dut? Hoe ben ick dus versuft?
Hoe komt mijn groot begeer soo Manneloos verbluft?
Rozette! ben ick blind? Of ben ick sonder reden?
Wat spoor heb ick (verblind in zotte lust) betreden?
Rozette, is het droom? Rozette, wat macht sijn?
Mijn onbetoomde lust. Mijn God! vergeeft het mijn.
O! Schild des Eerbaerheyds. O! Fondament der Deughde.
O! suyv're kuysheyds-Bron. Fonteyn van zielens-vreughde.
Borst-weeringh voor verraed: Ick offer mijn getraen,
En kniel voor u, gelijck ghy hebt voor mijn gedaen.
Vergeeft, vergeet, vergunt, drie wenschen, of drie saecken:
't Versoeck, mijn lust, en dwangh, die mijn een zondaer maecken.
Ick schaem my van mijn daed. Ick voel hoe mijn ghemoet
Door ware kennis my mijn zondigh schamen doet.
Ick draegh getuygh by my, die met een vinnigh wrijten
Van dagh tot dagh mijn sal die boose daed verwijten.
Ick voel mijn eyghen Beul, die mijn misdadigh hert
Sal daegh'lijcks pijnighen met veel bedroefde smert.
Vervloeckte stond, dat ick van lust so ben verovert,
Dat ick in achterdocht van straf was als betovert.
Berou, leed-wesen, smert, de straf van kennis pijn,
Rozette, laten die tot een voldoeningh sijn
Van mijn misdadigh feyt. Al wat ick heb misdreven
Wil my de goede Godt (ghy neffens dien) vergeven.
Rozet, vergeeft het my: dat ick u soght te schaen;
Maer door u vaste Deughd' (God lof) noch niet bestaen.