Rozette.
Ken oyt ghemoedt soo wreed in 't straffen sich bethoonen,
Dat traenen van een Maeght in 't minste niet verschonen?
Is vleesch-lust dan soo strengh? Eer-dievery soo groot?
Dat ickse niet en ken weer-houden met de doot?
Is geyle vlam soo hoogh, dat ick die ondertusschen
Met volle overloop van traenen niet ken blusschen.
Was oyt Tyran soo wreed, en onvertsaeght van moed
Dat hy gheen Maeght verschoont haer Eere, om haer bloed?
Gewilligh Prophyre wil ick mijn bloed uyt-storten
Soo ghy in 't minste deel mijn Eer niet wilt verkorten.
Ootmoedigh buygh ick neer (als uwe onderdaen)
Wilt met medogentheyt op mijn u oogen slaen.
Siet eens op u slavin, wiens hallef-doode leden
Met anghst-vallige schrick, so vinnigh sijn bestreden;
Dat ick door swackheyt nau mijn tonge roeren ken.
Ach! Prophyre het schijnt dat ick mijn selfs niet ben.