Stemme: Si tanto gratiosa.
O Soete brandt van minne
Die in mijn hert u vonckjes hebt ontsteecken
Voert mijn by mijn Godinne,
Daer ick met haer in eensaemheyt mach spreecken,
Hoe mijn de tijdt,, van 't af-zijn spijt
Wanneer ick haer moet derven;
Ongunst der goden,
Doet my wel duysent dooden
Om haer sterven.
Ist Aerdtrijck overtooghen:
Met wolcken swert en dicke duysterhede;
Mijn Engel sluyt haer ooghen,
En slaept gerust, ach! (leyder) mijn gebede,
En minne-klacht,, zijn niet gheacht:
Ha! wreede moorderinne;
Moet ick verliesen
Mijn leven, door het kiesen
V te minne?
Voegh ick mijn geest tot slapen,
Soo seydt de Min, wech soete dieverye,
Daer is geen rust gheschapen
Voor die, die haer begeven om te vrye;
Nu ick begin,, met soete min
Te voeden mijn ghedachten;
Voel ick (mijn eyghen)
't Gemoed, en sinnen neyghen
Tot veel klachten.
Door oorsaeck datter wetten
Zijn, wiens verbond my doen van wreetheyt klagen,
En soecken te beletten
Mijn liefde die ick u soo langh sal draghen,
Als op dit Dal,, mijn Ziele sal
In 't lievend' lichaem swerven,
Hoop sal mijn peye,
Tot Ziel en Lichaem scheye,
Door het sterven.
Eynde.