Skip to content
1634

Eerlycke tytkorting

Jan Harmensz. Krul

Stemme: VVech derteloose Min, &c. VVT-buldert woeste Wint In 't Noorden eerst begint V strafheydt, door bedwangh, Vertoeft niet langh: Dewijl dat ick in 't Schip der Min Te varen meen na mijn Goddin. Ick zet mijn zeyl in top. Ey! Noorde-wind weyt op, En blaest met uwe mondt Mijn zeyltjes rondt: Op dat ghy door uwe gunsten mijn Doet tavond by mijn Liefje zijn.

Cupido sit te roer Van 't Scheepje dat ick voer: Hy stiert het door de Min Na mijn Goddin, En schiet voor uyt een Pijltje ras, Het welleck zijn sal mijn Compas. Wat sien ick Venus Kindt? Wy krijghen teghen windt; Wel hoe of dit noch wil? 't Wordt oock stock stil; V schoot en gaert haelt bey strack aen; Wy moeten eens laveeren gaen. Wel dit valt groot verdriet: Laveeren ken me niet, Het schijnt my schier een droom: 't Is teghen stroom: Cupido leght het roer aen ly; Ick strijck het zeyl: kom roeyen wy. Neen, laet het zeyl vry staen, Voor stroom weeromme gaen; Het sal zijn teghen Wint, Wat ghy begint: Dat is te segghen: oock sult ghy Gheen luck hebben in vryery. Wendt dan het Scheepjen om, Op dat ick weder kom Ter plaets, waer door haer straf, Ick my begaf; Waer ick (door 't derven haer's ghesicht) Van droeve quellingh ben verlicht.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Eerlycke tytkorting · Jan Harmensz. Krul · Poetry Cove