Stemme: Lief-locksters van de Min.
K Heb Laura wel eer In d'over-schoone vlockjes Gestrenghelt mijn begheer Van u Goudt-draede Iockjes: Geswooren by mijn handt, Tot trou, bewijs, en teecken: Dat dese teye bandt Sijn leven niet soud' breecken.
En tot bewijs van dien Swoert ghy by Tyters traenen, En meenter nu niet ien. Wie sou die valscheyd waenen Laura in u te sijn: Als ghy vrypostigh toonde (Met een geveynsde schijn) U min: Mijn minne loonde. De kusjes, het gelonck, De bly-geestighe straelen Van uwe ooghs-gepronck (In't minnelijck onthaelen) Hebt ghy my selfs getoont, U lipjes aengeboden,
't En ken niet sijn verschoont: Ick claegh het aen de Goden. Agh! Laura, heught u niet De tijd mijn's droeve klaghten, Wanneer ghy mijn verdriet Quaemt met u gunst versaghten; Als ghy u mondt bedout Quaemt aen de mijne legghen, Ogh! Laura, wat wout Ghy Tyter daer meed' segghen: Als ghy u handen sloeght En hebt met lieve lusjes Omhelst, en vaeck vernoeght, U Tyter, met veel kusjes
Als hy in eenigheyd Geknielt lagh voor u voeten: Hem docht de Majesteyt Eens Coningins te groeten. Wanneer een sluymer-vaeck U ooghjes scheen te luycken Quaemt ghy met soet vermaeck Onder mijn boesem duycken: Door droomen, dieder uyt U dight beslooten lippen Met premelend geluyt Al soetjes quamen slippen. Ghy riept: mijn Tytr ist, Die ick in ware trouwe
Hoe weynigh dat hy 't gist Sal voor mijn eyghen houwen; Dies was mijn geest verheught In blijdschap op-getooghen, Maer door gheveynsde vreught Vondt Tyter hem bedroghen.
Cookies on Poetry Cove