Twee barden.
Ja, ja, wij hebben stof tot roemen!
't Is hier, in 't beilig eikenwoud,
Dat, ongezien van 't volk, op geur van jonge bloemen,
De schoone Hertha zich onthoudt.
Hier praalt haar goddelijke wagen;
Hier staan haar runderen in 't wit gareel geslagen;
Hier durven wij haar de offers bièn,
Wanneer ze, in maagdelijke plassen,
Haar schoone leden blank gaat wasschen,
Nooit strafloos door het oog eens stervlings aangezien.
*
Wel hem, die 't daglicht mag ontvangen,
Bataven! op deez' heilgen grond!
Meer zoet zijn hier de voglenzangen!
Meer schoon is hier de morgenstond!
Meer zacht lonkt hier een zoontje u tegen,
In moederlijken arm gelegen;
Do traan zelfs, hier door u geweend,
Baart minder smart in Bato's dalen!
Meer kalm ziet gij hier 't licht der Oudren graf bestralen!
Meer vreedzaam rust hier uw gebeent'!