Koor van barden.
Barst los! bezielt u, heilge snaren!
De lofzang ruisch' deze eiken rond!
't Gevoel stroome uit uw hart, gewijde Priestrenscharen!
Heft aan, o Wodans harpenaren!
't Geldt de eer van d'ouderlijken grond.
Ja wij, wij doen den lofzang klimmen,
Hier, waar de Rijn zijne urn in Flevo's golven giet,
Hier daagt een eiland aan de kimmen,
Waar de onbevlekte zon haar' reinsten glans op schiet.