Twee barden.
Gij, Rijngod! ziet ras aan uw strand,
Bij 't bruisen van uw vloeden,
De Roomsche beulen, in den band,
Ons vee als slaven hoeden.
Strek dáár, o eervergeten rot!
Ons kroost ten dartelenden spot,
In schande en wee begraven!
Voel dáár den scherpen geeselslag,
Leer dáár, vóór de aanbraak van den dag,
Op kinderwenken draven!
*
Op 't Kapitool durft gij, vol trots,
U 's aardrijks Goden achten!
Maar onze heerbijl, spies en knods
Zal, vuige Goôn! u slagten.
Wat vloek voerde u van de Alpen af?
Maar nadert! nadert! ziet uw graf
In Wodans bosch gedolven!
Ziet 't roofgevogelt', reeds vereend,
Hier knagen aan uw wit gebeent',
Uw vleesch een aas der wolven!
Ziet d'eik! hij leeft in Wodans bosch,
Schiet uit voor Bato's zonen!
Hij siert zich met een' bladrendos,
Om 't heldenhoofd te kroonen!
Gordt, maagden! u in 't heilig kleed,
Maakt, jongelingen! u gereed
Om 't lansenspel te dansen;
Versiert u met des vijands roof!
De eik trilt, hij biedt zijn statig loof,
Om uwe kruin te omkransen.