Twee barden.
Dat hij verga, die, diep verbasterd, Den Vaderlandschen grond miskent, Den grond van zijn geboorte lastert, En 't heilig graf der Vadren schendt! Hij leev', maar leve een slaaf der slaven! Zijn rif, verworpen, onbegraven, Zij 't aas, waarop 't gevogelt' brast! Zijn naam zij elk een vloek in de ooren, En 't kroost, den onverlaat geboren, Zij eeuwig met dien vloek belast!
*
Wat oorden, in zijn kronklend zwieren, De Rijngod met zijne urn bespat, Het schoon gewest der Batavieren Schenkt hij een' dubblen waterschat. Waar wrocht Natuur ooit schooner weiland, Dan hier, op dit gelukkig eiland? De grond biedt hier een zee van graan; 't Wild springt in schaauw der eikenkruinen, En 't strand schenkt ons zijne eeuwge duinen Tot borstweer tegen d' Oceaan.
Roemt, Romers! op uw lauwerbosschen! Onze eik staat als der boomen vorst. Wat pocht ge op purpren druiventrossen! Het nat des Rijns lescht ook den dorst. Wat stoft ge op marmren schouwtooneelen! Daar moet gij, slaven! zelve op spelen, Bevallig sneven naar de kunst! Gelukkig, zoo gij, in uw sterven, Een nietig oogmerk moogt verwerven, Een schandlijk blijk van 's dwinglands gunst.
*
Ook wij, wij hebben spelen, dansen, Maar spelen van een eedler aard. Wij hupplen om door scherpe lansen, Ons speeltuig is het schild en zwaard. Wij roemen op geen praalgebouwen, Op graven, uit arduin gehouwen; Een zode dekt hier 't Oudrengraf. Maar eeuwig leven ze in ons midden, Ja! eeuwig blijven wij aanbidden Den schoot, die ons het aanzijn gaf.
Wij sluiten in geen tempelwanden De Godheid op, haar magt ten spot! Een' tempel, niet gevormd met handen, Verheffen wij den eeuwgen God. 't Is onder 't weefsel van 't gebladert' Der eiken, dat elk Wodan nadert, En dankbaar dáár zijn beden uit: Wij, trotsch op de eer der Batavieren, Wij blijven dezen grond versieren, En 't Vaderlijk gebeent' wordt nooit der Roomren buit.
*
't Is wellust, voor den grond te sneven, Waaronder de asch der Oudren rust, Waarop uw kroost ontving het leven, Waarop gij 't eerst uw gade, als moeder, hebt gekust. Op welk gewest ge uw eeuwge stralen, o God des dags! ooit af laat dalen, Op geen gewest ziet ge, in 't heelal, Zoo schoon als Bato's vrije velden, De wieg en bakermat van helden, Waar 't Roomsch gebroed voor vlugten zal.
Cookies on Poetry Cove