Wijze: Het vinnig straalen van de zon.
Lodenstein.
Toen Boäs, die opregte man,
Zoo teêr van hart als wakker,
De maaijers in zijn koren had,
Kwam Ruth op zijnen akker.
Zij kwam naar 't oude voorregt, welk
De God van Weeuw en Weezen
Weleer door Moses wetten had
Aan de armen toegeweezen.
Hij kwam, hij zag haar, en droeg zorg
Voor haar, en haare Moeder.
Op dat het beide niet ontbrak
Aan overvloed van voeder.
Hij gaf den Biudren dit bevel,
‘Strooit losse korenairen,
Uit ieder handvol, ongemerkt,
Dat Ruth ze moog vergaêren.’
o Braave Boäs! gij leers ons
Aan arme menschen denken;
Wanneer de zegen wordt geöogst,
Dien God ons wilde schenken.