[Woord vooraf] ‘Hoe gelukkig is de Landman, en allen, welke uit kracht van hun beroep, met de vrije lucht, de zachte leere der schoone Natuur inädemen! - Hunne bezigheden kunnen hen opleiden tot Godsdienstige gevoelens. - Werkende om de spijze, die vergaat, kunnen zij de spijze, welke blijft tot in het eeuwig leeven, proeven.’ - Deze denkbeelden kwamen meer dan eens bij mij op, wanneer ik mijne Dorpelingen in derzelver arbeid zag. - ‘Wisten zij allen slechts, welk eene stichting, on-der hun moeilijk werk, welk een geestelijk en hemelsch voedzel in het stof der aarde voor hun te vinden zij!’ - Deze was de zucht van mijn hart. - Daarom begon ik reeds te Voorthuizen (mijn voorige standplaats,) bij tijd en wijle, de betnamlijke gedachten en gevoelens, welke den Land- en Akkerarbeid kunnen veraangenaamen, in eenige der volgende liederen uittedrukken; zettede alhier die aangenaame uitspanning voord, en hope verder mijne ledige oogenblikken hier aan toetewijden; en bij dit Stukje, (indien het wel ontvangen wordt,) in het vervolg, meerder bijtevoegen, niet alleen voor den Landman, maar ook voor andere lieden uit den geringen Burgerstand, naar dat het den Heere zal behaagen, mij gezondheid, lust, en gelegenheid te schenken.
En waarom zoude ik mij schaamen, voor Landlieden en den gemeenen man te arbeiden? - De Landman, de gemeene Burger wordt te onregt, als een min gewigtig Lid der Maatschappij beschouwd. Hij is in de oogen van den Zallgmaaker even dierbaar, als de beschaafdste Rijke, en geoesfendste Geleerde. Van Alphen, Martinet, en van den Berg zingen en schrijven voor Kinderen; de Maatschappij tot nut van het Algemeen, heeft ook voor den gemeenen man gedicht; met het grootst genoegen zie ik, dat het loflijk Haagsche Godgeleerd Genootschap elken Godsdienstminnaar noodigt, om ook voor den gemeenen man te werken. - Dit wekte mij op, om deze liederen in het licht te geeven, en, in vertrouwen, dat dezelve welligt iet zullen kunnen toebrengen ter bevordering der gewigtige en heilzaame oogmerken, welke die uitnoodiging bedoelt, achtte ik het billijk, dit proefje aan het gemeld Genootschap toeteëigenen. De ontsermende Jesus doe verzoening over het verkeerde, en vervulle het gebrekkige van mijne geringe poogingen. Hij gebiede over dezelve den zegen van zijnen Geest. Hij bestelle ons den vrede, en doe onze velden wedergalmen van vrolijke gezangen van bevrijding, welke den voorbijganger toejuichen: de waare God wordt nog in Nederland bij het Euangelielicht erkend, en dankbaar geeerbiedigd!
Cookies on Poetry Cove