Wijze: Ps. XVII. of: Wat voert de lieve morgenstond.
Lodenstein.
Daar gaat de zaaijer op en neêr,
En draagt het zaadvat heen en weêr,
En strooit met slingerende hand
Het zaad op 't robbelige land.
Wat zwoegt de man! wat zweet hij sterk!
't Is toch een zwaar en lastig werk!
Maar welk genoegen lacht hem aan,
Wanneer hij eens het kostlijk graan
Uitspruiten, groenen, bloeien ziet,
En de oogst hem loon voor arbeid biedt!
Hoe juicht hij op 't gezegend uur,
Wen hij 't mag draagen in de schuur!
Zoo moet ik nimmer moedloos zijn,
Bij zorg, vermoeijenis en pijn,
Kost mij 't betrachten van de deugd
Somtijds een traan van ongeneugt;
Want de Oogsttijd komt met de Keuwigheid,
Dis juichen voor geween bereidt.