Wijze: Zielen, die geneigd tot lieven.
Lodenstein.
Zal een lootje wortlen schieten,
't Worde door een goede hand
In geschikten grond geplant.
Mesten moet men 't, en begieten,
Naar vereisch, zoo veel men kan,
Of 'er komt geen boompje van.
Met geduld moet men 't besnoeien,
Want, indien men dit vergeet;
En het niet te leiden weet,
Zal het boompje in 't wilde groeien,
En gij zult het kwijnen zien,
Of 't za1 u geen vruchten biên.
Zoo moet ook het geestlijk leeven
In mij worden aangekweekt.
Als die zorg er aan ontbreekt,
Zal 't geloof mijn ziel begeeven,
En ik zal, alleen in schijn,
Nimmer regt, een Christen zijn.
Vruchtbre regen der genade,
Zonne der gerechtigheid,
Die uw' gloed in 't hart verspreidt.
Kom mijn teêr gemoed te stade,
Of mijn klein beginzel sterft,
Daar het leevenskrachten derft!
Wilde driften moet ik temmen,
Door het snoeimes van de reên.
En al mijn genegenheên
Buigen, en doen samenstemmen,
Needrig, willig, lijdzaam stil,
Met des Heeren goeden wil.
Of ik zou Hem niet behaagen,
Die mij door des Geestes hand
In zijn' akker heeft geplant.
En geen goede vruchten draagen,
Die zijn liefdezorg en trouw
Anders van mij wachten zou.