Wijze: Psalm CXXXVI.Gelijk in den VI. Psalm, op één na de laatste lettergreep van den eersten regel in ieder vers, op drie nooten wordt gezongen, zoo moet hier de laatste lettergreep, van den tweeden regel, in ieder vers, op drie nooten geżongen worden.
Scheerder! scheer uw schaapje zacht,
Kwets het beestje niet,
Dat ons met zijn blanke vacht
Zoo veel voordeel biedt.
Scheerder! denk, hoe 't wollig dons,
Dat uw knipschaar trekt
Van de schaapjes, u en ons
Voor de koude dekt.
O! Wat is dit stomme dier
Lijdzaam, mak en stil!
't Maakt geen smartelijk getier,
't Buigt zich naar uw' wil.
Scheerder! zoo was Jesus ook,
's Vaders Godlijk kind.
Vrienden! zoo was Jesus ook,
Onze beste Vrind.
Ja; Hij deed zijn' mond niet op;
Zei niet: ‘ach! of: wee!’
Schoon het lijden steeg ten top,
Lijdzaam en gedwee!
Als een Lam, werd Hij geleid
Naar de slagtbank heen.
Heeft gewillig uitgebreid
Aan het kruis zijn leên.
Lieve Jesus! onze schuld
Hebt gij dus geboet;
En den eisch der Wet vervuld!
O! Vat zijt gij goed!
Dek ons voor des Rigters oog!
Heilig onzen wil!
Trek ons hart to U omhoog!
Maak het zacht en stil!