Skip to content
1794

Liederen voor den landman. Deel 1

Jan Eijk

Wijze: Zwijgt winden, gij stroomen.

Voet.

Sa! lustig, mijn Vrinden! Brengt bundelen aan, En slingert de vlegels Op 't springende graan! Ginds zuivert de wanner Het onkruid en kaf, Van 't zaad in zijn zeeve; Hoe vliegt het er af!

Straks steeken wij lustig De stoppels in brand; Zoo blijft 'er niet over, Dan asch op het land. Dan kunnen wij rusten, En droogen ons zweet, En danken voor 't goede, Dat God aan ons deed.

Het dorsschen geeft voordeel, En stichting daar bij. - Deze aarde is Gods akker, Gods akkerwerk, wij. Gods kuegten, de zaaijers. Gods Woord is het zaad. Tot maaijers zijn de Englen Bestemd in Gods Raad.

Op 't laatste der dagen, Eer alles bezwijk', Wordt eenmaal deze aarde Een' dorschvloer gelijk. En Jesus zal komen, En onkruid en kaf Doen branden met vlammen Van eeuwige straf.

Dan voert Hij de vroomen, Als zuiver gewin, Ter hemelsche Schuure, Door de Engelen in. Dan wijst Hij de boozen, Als kaf van de hand, Door vuur te verteeren, Dat nimmer verbrandt.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Liederen voor den landman. Deel 1 · Jan Eijk · Poetry Cove