Wijze: Zwijgt winden, gij stroomen.
Voet.
Sa! lustig, mijn Vrinden!
Brengt bundelen aan,
En slingert de vlegels
Op 't springende graan!
Ginds zuivert de wanner
Het onkruid en kaf,
Van 't zaad in zijn zeeve;
Hoe vliegt het er af!
Straks steeken wij lustig
De stoppels in brand;
Zoo blijft 'er niet over,
Dan asch op het land.
Dan kunnen wij rusten,
En droogen ons zweet,
En danken voor 't goede,
Dat God aan ons deed.
Het dorsschen geeft voordeel,
En stichting daar bij. -
Deze aarde is Gods akker,
Gods akkerwerk, wij.
Gods kuegten, de zaaijers.
Gods Woord is het zaad.
Tot maaijers zijn de Englen
Bestemd in Gods Raad.
Op 't laatste der dagen,
Eer alles bezwijk',
Wordt eenmaal deze aarde
Een' dorschvloer gelijk.
En Jesus zal komen,
En onkruid en kaf
Doen branden met vlammen
Van eeuwige straf.
Dan voert Hij de vroomen,
Als zuiver gewin,
Ter hemelsche Schuure,
Door de Engelen in.
Dan wijst Hij de boozen,
Als kaf van de hand,
Door vuur te verteeren,
Dat nimmer verbrandt.