Skip to content
1794

Liederen voor den landman. Deel 1

Jan Eijk

Wijze: Zoet gezelschap.

Lodenstein.

Elk is op zijn wijz' verheugd. De onberaaden losse jeugd Schiet het oude jaar in 't nieuwe. De aardworm brast, en zwelgt, en teert. Schraaper telt de guldenstukken, Daar zijn schat meê is vermeerd.

Ik heb geen vermaak daar in. 'k Wil met een' bedaarden zin 't Hart op mijne wegen stellen; Denkeu aan mijn' weg en lot, Hoe ik 't onder alles maakte, Wat ik schuldig ben aan God.

God heeft mij die jaar behoed. En zijn trouw heeft mild gevoed Huisgezin en vee en akker; 't Kwaade smartte niet te zeer; 'k Had verdiend de zwaarste rampen; Hij verschoonde telkens weêr.

't Helder Euangelielicht Leerde mij genade en pligt. 'k Mogt gerust en ongehinderd In het huis des Heeren gaan, En aldaar van Jesus hooren. God heeft alles welgedaan.

Maar, hoe weinig is mijn geest Dankbaar aan den Heer geweest! Flaauw en ijverloos in 't bidden; Wispeltuurig in geluk; Steunende op mijn eigen krachten; Wrevelig, of hard in druk.

Traagheid, koelheid ongeloof Maakten vaak mijn harte doof Voor de stem van 't Euangelie, Ach! hoe weinig is mijn ziel Nog gevorderd, onder 't voorregt, Dat aan haar te beurte viel!

o Hoe zal mijn harte nu, Zegenrijke Ontfermer! U Al uw trouw en gunst vergelden? En zoo veel weldaadigheên, Die Gij mij weêr hebt beweezen, Boven deuken en gebeên?

Treed niet met mij in 't gerigt. Sla Uw vriendlijk aangezigt Op mij neêr, om Jesus wille, Laat mij 't licht der lieve zon Weêr in 't volgend jaar aanschouwen, En U looven, Lichtenbron!

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Liederen voor den landman. Deel 1 · Jan Eijk · Poetry Cove