Skip to content
1794

Liederen voor den landman. Deel 1

Jan Eijk

Wijze: De tien Geboden.

Indien men 't onbesuisde venlen Niet vroeg aan toom en zeel gewent, Zal 't nimmer paardenwerk verrigten, Dewijl het geene tengels kent.

Wat kundigheden, of bekwaamheid, Wat vaardigheid of handeling Verkrijgt men zonder onderrigting, Bekomt men zonder oeffening?

Men moet dit werk al vroeg beginnen; 't Is vruchtloos, als men lange wacht. Men moet de teedre takjes buigen, Terwijl ze jeugdig zijn en zacht.

Bestelt dan, Ouders! in de Schoole Gezet en vroeg uw teêr geslacht! Hij is den naam van mensch onwaardig, Die Schoolen voor geen voorrecht acht.

Daar words de moed en lust en ijver In 't hart gekweekt door loon en straf. De tugt leert billijke onderwerping, En went het speelziek woelen af.

Daar worden de allereerste zaaden Van kennis, en van weetenschap, Van deugd, erg pligten, en beschaaving In 't hart gelegd van stap tot stap.

Ontdekt al vroeg zich 't zaad der boosheid, De voordgang wordt aldaar geweerd. En 't eerst begin der hemelwaarheid, En van des Heeren vrees geleerd.

Zoo kan uw zaad gelukkig weezen, Geplaatst in een' gewenschten stand. Zoo kan het eens een zegen worden, Voor huisgezin, en kerk, en land.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Liederen voor den landman. Deel 1 · Jan Eijk · Poetry Cove