De Lamp.
‘Het wordt al duister, kameraad,
De moeder sluit het venster dicht;
Ik speel niet langer meer op straat,
Want zie! daar blinkt des lampjes licht!..
- De moeder sluit het venster dicht;
Op tafel staat de gortekom,
En zie! daar blinkt des lampjes licht,
Gansch de familie zit er om!
En vader, Joseph, ik en Peer,
Grootvader, oud en afgesloofd,
Wij zitten bij de tafel neer,
Ontdekken zwijgend nu het hoofd.
Grootvader, oud en afgesloofd,
Grootvader, die allengs verkwijnt,
Ontdekt tot bidden zwijgend 't hoofd,
Waarop het bleeke lamplicht schijnt.
Wie kraait er in zijn wiegje thans
En steekt de mollige armpjes uit?
Dat is ons kind: des lampjes glans
Heeft hem ontwaakt, den kleinen guit,
Hij steekt de mollige armpjes uit;
Hij wilt ook eten, zoo als wij,
Hij is ontwaakt de kleine guit. -
Ach moeder, breng hem eens bij mij!
Zie zoo! nu zijn wij allen saam,
En kijken vroolijk in het rond;
Wat smaakt de pap toch aangenaam,
Bij eenen winteravondstond!
Wij kijken vroolijk in het rond,
De liefde blinkt op elks gezicht
Als bij een' winteravondstond,
Zacht blikkert onze lampjes licht!