Winterlied.
1.
De Winter komt
En gromt
En bromt;
- Gansch de natuur verstomt.
't Wordt alles stil
En kil
En schril
Voor zijnen ijzren wil:
Maar wij
Zijn blij
In ieder getij:
Helder, helder
Klinkt onze vroolijke lach,
Ha, ha, ha!
Ook bij 'nen Winterschen dag.
2.
De weide is kaal
En vaal
En schraal;
Weg is haar pracht en praal.
Weldra vergeet
Zij 't leed
En kleedt
Zich in het groen tapeet:
Zij kleurt
En fleurt,
Het bloemeken geurt
Minzaam, minzaam,
Als onze vroolijke lach,
Ha, ha, ha!
Nu, bij 'nen Winterschen dag.
3.
Zij ons gezang
Een klank
Van dank
Ook bij des Winters dwang!
Want vreugde en min
Is in
't Gezin
Waarlijk een zoet gewin:
Den haard
Omschaard
De stemmen gepaard,
Helder, helder
Klinke onze vroolijke lach,
Ha, ha, ha!
Ook bij 'nen Winterschen dag!