XVIII.
Hoe gluckigh sijt ghy, windt, te kusschen, wie 'tbenijdt,
En d'ooghen, en den mondt van mijn liefst' wtghelesen;
Hoe'n ben ick geenen windt? mijn bangh siel sou wel wesen
Van all' haer banden sterck, en boeyen haest bevrijdt.
Windt, als ick denck', och laes, hoe saligh dat ghy sijt,
Die daer houdt onderdaen een Ionckvrouw soo ghepresen,
Wiens schoonheydt ouergroot, goe gracj, minlijck wesen,
Soo veel minnaeren hert bestormt, en leuert strijdt.
Maer ick beclaegh' u, windt; dat, als ghy kuscht mijn schoone,
Ghy in een brandig hert u niet verkeert en vindt,
Om in soo schoone saeck' den brandt te moghen blusschen.
Hebt gh'anders gheen verstandt, wat helpt u doch het kusschen?
Om sulcks dan te voldoen, o Hemel, maeckt my windt,
Want 'tselfd' heeft mijne trouw seer wel verdient voor loone.