Skip to content
1619

Nederduytsche poëmata

Jan David Heemssen

XVIII. Hoe gluckigh sijt ghy, windt, te kusschen, wie 'tbenijdt, En d'ooghen, en den mondt van mijn liefst' wtghelesen; Hoe'n ben ick geenen windt? mijn bangh siel sou wel wesen

Van all' haer banden sterck, en boeyen haest bevrijdt. Windt, als ick denck', och laes, hoe saligh dat ghy sijt, Die daer houdt onderdaen een Ionckvrouw soo ghepresen, Wiens schoonheydt ouergroot, goe gracj, minlijck wesen,

Soo veel minnaeren hert bestormt, en leuert strijdt. Maer ick beclaegh' u, windt; dat, als ghy kuscht mijn schoone, Ghy in een brandig hert u niet verkeert en vindt, Om in soo schoone saeck' den brandt te moghen blusschen.

Hebt gh'anders gheen verstandt, wat helpt u doch het kusschen? Om sulcks dan te voldoen, o Hemel, maeckt my windt, Want 'tselfd' heeft mijne trouw seer wel verdient voor loone.

Cookies on Poetry Cove

We use cookies to remember your language preference and — only with your consent — to learn how Poetry Cove is used. You can change your mind any time.
Nederduytsche poëmata · Jan David Heemssen · Poetry Cove